Das Rheingold
| Hartmut Haenchen | |||||
| Nederlands Philharmonisch Orkest | ||||||
Date/Location
Recording Type
|
| Wotan | Thomas Johannes Mayer |
| Donner | Vladimir Baykov |
| Froh | Marcel Reijans |
| Loge | Stefan Margita |
| Fasolt | Stephen Milling |
| Fafner | Jan-Hendrik Rootering |
| Alberich | Werner van Mechelen |
| Mime | Wolfgang Ablinger-Sperrhacke |
| Fricka | Doris Soffel |
| Freia | Anna Gabler |
| Erda | Marina Prudenskaja |
| Woglinde | Lisette Bolle |
| Wellgunde | Barbara Senator |
| Floßhilde | Bettina Ranch |
Zurück zum Ring
Mitte der neunziger Jahre trat Pierre Audi an, um zum ersten Mal Wagners Ring-Tetralogie in den Niederlanden zu inszenieren. Was für eine gute Idee, diese Produktion, die auch auf CD, DVD und SACD erschienen ist, im Zuge des Wagnerjahres noch einmal (und wohl zum letzten Mal) wiederaufzunehmen, anstatt in finanziell harten Zeiten den Markt mit einer (womöglich überflüssigen, grauenhaften) Neuproduktion zu überschwemmen. Und in der Tat hat Audis ganz auf Wesentliches konzentrierte, im besten Sinne werktreue Inszenierung ja auch keinen Staub angesetzt, sondern hebt sich in ihrer Dezenz und Zeitlosigkeit von manch ärgerlicher, eitel idiosynkratische Ideen verfolgender, auf enervierenden Aktionismus setzender, psychologisch oder ideologisch überfrachteter, durch Auswahl einer bestimmten historischen Epoche einengender oder allzu märchenhaft ohne Tiefgang nacherzählender Werksicht wohltuend ab, lässt der Musik ihren Raum – und jedem Zuschauer für eigene Assoziationen und Erkenntnisse.
Beeindruckend ist natürlich auch nach wie vor George Tsypins Bühnenbild mit den riesigen im Raum aufgehängten Glas- und Metallflächen, nicht zuletzt auch wegen des tollen Lichts und der Pyrotechnikeffekte, die ich hier nicht albern oder bemüht fand. Und auch die Kostüme von der bereits verstorbenen Eiko Ishioka sind nach wie vor bemerkenswert, besonders die Nibelungen mit ihren dicken Köpfen, Beinchen und Popos und die Götter in ihren weiten, ein wenig an römische Togen erinnernden Gewändern bleiben in Erinnerung.
Welch gute Idee auch, hinsichtlich der musikalischen Leitung auf Kontinuität zu setzen, und so stand noch einmal der ehemalige Chefdirigent Hartmut Haenchen (dessen erhellende Werkeinführung – größtenteils in deutscher Sprache – auf CD erhältlich ist) am Pult des exzellent musizierenden Nederlands Philharmonisch Orkest, das in dieser Produktion in die Szene integriert ist. Der deutsche Dirigent hat es nicht nötig, durch bizarre Tempi und andere Mätzchen auf sich aufmerksam zu machen, auch keine Lautstärkenexzesse gibt es da, sondern kontrollierten, trotzdem stets spannungsgeladenen, farbenreichen Wagner, wie er sein soll.
Thomas Johannes Mayer ist ein noch junger Göttervater mit einer Stimme, die noch nicht immer Heldenbaritonformat hat und noch mehr Farbe und Volumen haben dürfte. Immerhin, Dank seiner ersten Diktion überzeugte der Sänger doch über weite Strecken. Von Vladimir Baykov hätte man gern mehr gehört als die paar Phrasen des Donner, Marcel Reijans angenehmer lyrischer Tenor war mir schon öfter in der Amsterdamer Oper aufgefallen, diesmal war er ein guter Froh.
Dagegen hinterließ Stefan Margita als Loge bei mir einen zwiespältigen Eindruck: So elegant er mit kaum verbrauchtem, tragfähigem lyrischen Tenor und darstellerisch differenziert eingesetzten Mitteln für sich einnahm, so undeutlich und schwach war die längste Zeit seine Aussprache des deutschen Textes. Dies war gerade die Stärke von Werner Van Mechelen, der als Alberich nicht nur hervorragend deklamierte und beklemmend spielte, sondern auch sehr markant und sehr seriös sang, was mancher Kollege brüllt oder spricht. Wolfgang Ablinger-Sperrhacke sah mit seinen Beulen am Kopf und dem insekten-käferhaften Kostüm angemessen furchtbar aus als Mime und spielte ihn auch beeindruckend intensiv, ohne je zu übertreiben. Nicht nur überrumpelnde Phonstärke, sondern auch das Aufspüren von Zwischentönen zeichnete die Porträts der Riesen durch Stephen Milling (Fasolt) und Jan-Hendrik Rootering (Fafner) aus.
Wie schon 2004 und 2005 gab Doris Soffel die Fricka; rein vokal hätte man damals schon gelegentlich beckmessern können (was ich auch bereits bei ihrer Interpretation im Kölner Ring getan habe), der Ton ist nicht mehr immer wirklich üppig, aber die interpretatorisch-deklamatorische Kraft ihres Singens und ihre Präsenz lassen immer noch fast jeden Einwand verstummen. Dagegen blieb Anna Gabler als ihre Bühnenschwester vokal wie darstellerisch blass, während Marina Prudenskaya sehr berührend und mit kraftvoller, auch in der Tiefe keine Grenzen kennender Stimme eine erstklassige Erda war, und auch an den Rheintöchtern gab es nichts auszusetzen.
FAZIT
Der eindringliche Vorabend machte zweifellos Lust auf die Fortsetzung im April. Und auf einen der “adventure seats” hoch oben auf der Bühne, von denen man den Akteuren aus ungewohnter Perspektive zuschauen und den Dirigenten noch genauer bei seiner großartigen Arbeit beobachten kann und irgendwie selber Teil des Ring wird.
Thomas Tillmann | 18. November 2012
Das Rheingold Door De Nederlandse Opera
Om de tweehonderdste geboortedag van Richard Wagner (1813-1883) te vieren presenteert De Nederlandse Opera (DNO) tussen 2012 en 2014 voor het laatst de legendarische productie van Der Ring des Nibelungen in regie van artistiek directeur Pierre Audi. De première van de eerste voorstellingsreeks van het eerste deel, Das Rheingold, vond plaats op 4 september 1997 in het Muziektheater in Amsterdam. De première van de nieuwe productie vond gisteravond, donderdag 15 november, plaats op dezelfde locatie. Een aantal decorstukken was ondertussen aan vervanging toe en de voorstelling is daarom niet identiek aan die uit 1997.
De opera begint in het volledige donker. Het Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van dirigent Hartmut Haenchen speelt het veelbelovende Vorspiel zeer vakkundig en professioneel. Dit nivo word gedurende de hele opera vastgehouden en het orkest zorgt voor een magische muzikale ervaring. In de eerste akte verleiden de drie Rijndochters de dwerg Alberich, terwijl ze eigenlijk het goud moeten bewaken. De Belgische bas-barition Werner van Mechelen zingt en acteert zeer sterk in zijn rol als Alberich. Alberich zweert de liefde af, steelt het goud en neemt het mee naar Nibelheim. Lisette Bolle zingt opvallend goed als Woglinde!
In de tweede akte nemen de goden het toneel over. In Grieks-Romeinse kledij komen ze doeltreffend surrealistisch over. Fricka wordt gezongen door de Duitse mezzosopraan Doris Soffel en zij doet dat op een zeer emotionele manier. Ze heeft een warme volle stem met een heel prettig geluid. Wotan wordt gezongen door de Duitse bariton Thomas Johannes Mayer. Voor een bariton heeft hij een prachtige stem en zijn zangprestatie is zeer constant. Op momenten waar je als luisteraar verwacht wat meer emotie te horen, mist Wotan toch iets aan dynamiek.
De burcht Valhalla is gebouwd door de reuzen Fafner en Fasolt in opdracht van Wotan en zij komen hun beloning opeisen. Tevoren was door Pierre Audi al aangekondigd dat één van de reuzen last van keelontsteking had. De Oostenrijkse bas Günther Groissböck zong de partijen van de Deense bas Stephen Milling aan de zijkant van het toneel, terwijl deze laatste zijn rol als Fasolt op het podium acteerde. Hopelijk krijgen we hem wat vaker te horen, want zijn prestatie vanavond was zeer indrukwekkend.
Rheingold2Afgesproken was dat de godin Freia als betaalmiddel zou fungeren. Zij is de zus van Fricka en die wil niet dat Wotan haar aan de reuzen geeft. Er vindt duidelijk gestechel plaats en Wotan wil het liefst onder de afspraak uitkomen. Eindelijk verschijnt Loge op het toneel! De staande ovatie voor Loge aan het einde van de voorstelling was volledig terecht. De Tsjechische tenor Stefan Margita vertolkte de rol van deze halfgod op een formidabele manier. Door zijn status als halfgod is hij natuurlijk een beetje een buitenbeentje in deze opera; hij hoort eigenlijk nergens bij. En vooral door dat laatste kunnen wij mensen ons zo goed met hem identificeren. Wat een stem en wat een acteerprestatie!
Loge kan er niet voor zorgen dat de reuzen Freia niet meenemen, maar hij krijgt Wotan zover het Rijngoud te roven als betaling voor Valhalla. In de derde akte reizen beiden naar Nibelheim om Alberich het goud te ontfutselen. Met veel vuur wordt duidelijk gemaakt dat Nibelheim geen plek is waar je voor je lol naartoe gaat. Alberich heeft de ring gesmeed en regeert als een tiran over zijn volkje en over zijn knechtje Mime. Deze Nibelung wordt gespeeld door de Oostenrijkse tenor Wolfgang Ablinger-Sperrhacke en hij doet dat op een bijzondere manier. Hij heeft als tenor een iets donkerder stem, waardoor hij sympathieker over komt. Door zijn kostuum en gedrag komt hij erg vervreemdend over, waardoor hij goed past in Nibelheim.
Loge weet Alberich te strikken door hem te prijzen. Alberich toont zijn macht door in iets groots en verschrikkelijks te veranderen en daarna iets kleins en nietigs. Dan grijpt Loge de helm en Wotan de dwerg en bindt hij hem vast om hem mee te nemen naar de bovenwereld. Tussendoor vervloekt Alberich nog even de ring. In de laatste akte worden de reuzen betaald met het goud inclusief tarnhelm en ring. De vloek van de ring resulteert in de dood van Fasolt. Fafner verlaat het toneel in de ban van de ring. De goden trekken zich terug in hun burcht; de opera is ten einde en het drama kan beginnen!
De enscenering van De Nederlandse Opera maakt van Das Rheingold een waar sprookje. Hiermee wordt er bewust een afstand gecreëerd tussen de zangers en het publiek. Het decor-ontwerp vergroot deze afstand en direct resultaat hiervan is dat het moeilijker is om de emoties van de zangers over te brengen op het publiek. De opera wordt een andere wereld, waar wij mensen van het publiek niet aan kunnen relateren. Deze afstand lijkt zelfs in de muziek zijn uitdrukking te vinden. Het werk maakt daarom vooral indruk door de zangprestaties op topnivo van de cast en door de vervreemdende en indrukwekkende elementen uit de enscenering.
Carl Puhl | 16. November 2012



